Bij KBC staat hij op 17,2%, bij Belfius op 15,9% en bij Argenta maar liefst op 24,1%’ de befaamde Common Equity Tier 1-ratio (CET1-ratio) of kernkapitaalratio. En dat terwijl hij minimum 10,25% moet zijn. Als je de bankjaarverslagen en de stresstest van de Europese Centrale Bank moet geloven zijn onze financiële instellingen nog nooit zo gezond geweest. Kijk je echter een beetje scherper, meer bepaald naar hoe die ratio berekend wordt, dan ziet het bancaire gezondheidsplaatje er minder rooskleurig uit.

Financiële regelgeving en bankentoezicht dateren al van ver voor de financiële crisis van 2008. Het is pas na de kredietklap dat het onderwerp meer in de schijnwerpers is komen te staan en dat de regulering aangepast en verstrengd werd. Het voornaamste orgaan dat hier op wereldniveau voor instaat is de Basel Commissie voor het Bankentoezicht (BCBS). Zij is een onderdeel van de Bank voor Internationale Betalingen (BIB), het hoofd van alle centrale banken wereldwijd.

De BCBS ziet toe op de gezondheid en de stabiliteit van het wereldwijde bankensysteem. Het regelgevend kader dat ze hiervoor ontworpen heeft, staat bekend als de fameuze Basel-normen. Ondertussen zitten we al aan Basel 3, dat sinds 2010 in voege is en tegen 2019 volledig geA?mplementeerd moet zijn. Een van Basels belangrijke graadmeters om de gezondheid van een bank te meten is de net genoemde kernkapitaalratio. Voor Basel 3 moet die minimaal 4,5% bedragen, maar de Europese en nationale toezichthouders stellen hem afhankelijk van het type en de omvang van de bank hoger. Zo moeten Belgische grootbanken dit jaar een ratio van 10,25% halen.

Licht en evenwichtig

Al sinds de invoering van Basel 3 gaan er echter vanuit de OESO en andere onderzoeksinstellingen stemmen op dat die CET1-ratio toch niet zo zaligmakend is. Het grootste knelpunt zit hem in de berekening van de ratio. Hij geeft namelijk de verhouding aan van het ‘eigen vermogen’ van een bank ten opzichte van ‘haar naar risicogewogen activa’. Om dat te begrijpen moet je er even een doorsnee bankenbalans bij nemen.

Bron: Bankieren voor de samenleving

Aan de activakant staan enerzijds de leningen aan huishoudens, bedrijven en overheden en anderzijds beleggingen en andere geldmiddelen. De passivakant moet ervoor zorgen dat je die leningen en beleggingen kunt financieren met vermogen. Dat bestaat grotendeels uit het geld op spaar- en termijnrekeningen van klanten en uit financiering op de interbancaire markt. Daar kunnen financiële instellingen bij elkaar terecht voor korte termijnfinanciering.

De kleinste maar daarom niet minst belangrijke post aan de passivazijde is het eigen vermogen van de bank. Dat is al het geld van de aandeelhouders, het aandelenkapitaal. In tegenstelling tot een normaal bedrijf, waar een gezond eigen vermogen minimaal 40% bedraagt, is dit bij banken nogal aan de magere kant: voor de crisis schommelde het tussen de 1 en de 3%.

De hoofdoorzaak van de crash in 2008 waren de lage vermogensbuffers van banken. Aan de ene kant werden ze massaal geconfronteerd met waardeloze beleggingen en wanbetalingen op hun kredieten, aan de andere kant met een dreigende ‘bank run’ van bange spaarders en een opdrogende interbancaire markt waar geen enkele bank nog durfde te lenen aan een van haar collega’s. De eigen vermogensbuffertjes van maximum 3% waren onvoldoende om de nakende bankroetscenario’s tegen te gaan, waardoor overheden massaal moesten inspringen.

Banken en toezichthouders schermen alsmaar met de CET1-ratio, de gezondheidsindicator van de banken. Volgens onder meer de OESO is dat de verkeerde fetisj

Daarom is sinds 2008 het mikpunt van financiële regelgeving en bancair toezicht zo zwaar komen te liggen op de kapitaalsbasis van banken. Die kun je op verschillende manieren berekenen. De meest eenvoudige is om het eigen vermogen te delen door de activa, dit noemen ze de leverage ratio. Hoe hoger die is, hoe beter de bank gekapitaliseerd is om schokken op te vangen. Toch schermen banken en toezichthouders alsmaar met de CET1-ratio. Wat volgens onder meer de OESO de verkeerde fetisj is.

Lichtzinnige of zwaarwichtige risico’s

De voornaamste kritiek slaat op de zogenaamde risicoweging die de verhouding is binnengeslopen. Je deelt namelijk het eigen vermogen door de risicogewogen activa. Daarmee wordt elk type activa een gewicht meegegeven, afhankelijk van het onderliggende risico. Een woninghypotheek weegt bijvoorbeeld minder zwaar door dan een bedrijfslening, omdat je het vastgoed als onderpand hebt. Of staatspapier heeft een lagere risicoweging dan bedrijfsobligaties, omdat landen (bijna) niet failliet kunnen gaan. Ten opzichte van hypotheken of staatsobligaties moet een bank dan minder eigen kapitaal aanhouden dan voor ondernemingskredieten of bedrijfsobligaties.

‘Hiermee creëer je een enorm voorrecht voor een bepaald type activa zoals staatspapier en hypotheken’, stelt Paul Atkinson, voormalig OESO-econoom en specialist financiële regelgeving. ‘Zo benadeel je vooral ondernemingen. Je spoort banken ook aan om hun activaportefeuille te herschikken met het oog op een lagere risicoweging.’

Het mechanisme van risicoweging zat al in het eerste Baselakkoord uit 1988. Het risicogewicht per activasoort werd door de BCBS bepaald, en de financiële instellingen moesten het gewoon toepassen op hun eigen balans. In Basel 1 kreeg een hypotheek bijvoorbeeld een risicogewicht van 50% terwijl bedrijfsleningen voor de volle 100% doorwogen.

Vanaf 2004 is dat mechanisme met Basel 2 uitgebreid. ‘Hier is de catastrofe pas echt begonnen,’ zegt Atkinson. ‘Basel 2 introduceerde de externe ratings, waarmee banken voor de risicoweging beroep konden doen op de ratings van kredietbeoordelaars.’ Ook kregen banken de optie om eigen risicowegings- en berekenmodellen te gebruiken in plaats BCBS-gewichten. Die ‘internal ratings based’-aanpak (IRB) is ook door Basel 3 overgenomen en ondergraaft volgens de OESO en andere economen de duidingskracht van de kernkapitaalratio’s. ‘Die aanpak geeft banken de vrijheid om de risicoweging naar hun hand te zetten’, zegt Atkinson.

Met ëën been op de weegschaal

Een bank moet van de BCBS toestemming krijgen om eigen risicomodellen te gebruiken. Het is een ingewikkelde en tijdrovende operatie waardoor het voor kleine banken niet de moeite loont. De grootbanken passen sinds Basel 2 wel allemaal de IRB-aanpak toe. Voor hen is het interessant om zelf de hand aan de weegschaal te hebben waarop ze de risico’s van hun activa afwegen. Hoe lager die uitvallen, hoe minder kapitaal ze er tegenover moeten houden.

Een eerste probleem daarbij is dat elke bank haar eigen ontworpen risicomodel gebruikt waardoor gelijkaardige portefeuilles bij verschillende banken toch heel uiteenlopende risicowegingen opleveren. De BCBS heeft hiervoor een vergelijkingsoefening gedaan waarmee ze een referentieportefeuille loslaat op de IRB-modellen van een aantal banken. De verschillen in risicogewicht liepen op tot 300%. Of je dan nog van een eenduidige risicoberekening kunt spreken blijft maar de vraag. Een onderzoek van het Centre for European Policy Studies wijst er ook op dat Europese en nationale toezichthouders niet genoeg middelen hebben om alle risicomodellen van banken naar behoren te evalueren.

Paul Atkinson (ex-OESO): De aanpak geeft banken de vrijheid om de risicoweging naar hun hand te zetten

‘Ik sta er ook sceptisch tegenover,’ zegt Atkinson, ‘Banken gebruiken duizenden verschillende modellen. Met wat aanpassinkjes hier en daar heb je zo een nieuwe kapitaalratio berekend. Econometrische modellen geven altijd de uitkomst van degene die het model ontworpen heeft, maar ze geven nooit een sluitend bewijs van wat dan ook.’

Gevraagd om een reactie verwijst Belfius naar haar risicorapport van 2014. Daarin staat te lezen dat ze om haar activarisico’s af te wegen zowel IRB-modellen gebruikt als externe ratings van de drie grote kredietbeoordelaars: Standard & Poors, Moody’s en Fitch. Uit het risicorapport van KBC komt hetzelfde beeld naar voren: ook daar is het een mengeling van interne modellen en externe beoordelingen.

De IRB-aanpak staat banken toe om de risico’s van hun activa in principe oneindig naar beneden te halen met behulp van financieel afgeleide producten (derivaten) zoals swaps. Die zijn best te omschrijven als een soort verzekering waarmee een bank zich indekt tegen bepaalde risico’s zoals rente- of wisselkoersschommelingen.

Het risicorapport van KBC meldt dat de bank eind 2014 zich voor een risico van 426 miljard euro met derivaten heeft ingedekt. 244 miljard met rentederivaten, 131 miljard met wisselkoersinstrumenten en 8 miljard met CDS’en. Bij Belfius is dat maar voor een slordige 50 miljard, waarvan 80% met rentederivaten.

Een populaire derivatenvariant is de Credit Default Swap, kortweg CDS. Dat is een verzekering tegen wanbetaling of bankroet van leningen. Zo kan een bank het risicogewicht van een bedrijfslening neutraliseren door er een CDS voor te kopen, waardoor het kapitaal dat ze tegenover die lening moet aanhouden ook daalt. ‘Het is een makkelijke manier om risico voor regulatoire doeleinden buiten het systeem te plaatsen, maar op het einde van de rit blijft het onderliggende risico wel bestaan. Je neemt het niet weg, je verplaatst het gewoon’, zegt Atkinson.

De CDS-markt die grotendeels uit Amerikaanse investeringsbanken bestaat, is echter weinig doorzichtig. Het gevaar bestaat dat die investeerders niet onder alle omstandigheden hun betalingsverplichtingen kunnen nakomen. ‘Zoals AIG tijdens de crisis’, herinnert Atkinson. Verzekeraar AIG had voor 2008 een enorme hoeveelheid CDS’en uitgegeven tegenover Amerikaanse hypotheken. Toen de huizenbubbel barstte werd het bedrijf overspoeld met betalingsverplichtingen die het niet kon nakomen en moest het genationaliseerd worden.

Volgens OESO-onderzoek heeft de risicoweging er ook voor gezorgd dat grootbanken alsmaar innovatiever uit de hoek kwamen om hun risicogewichten naar beneden te krijgen, en dus ook hun kapitaalsvereisten. Die trend hebben ze duidelijk in kaart gebracht sinds Basel 1.

Schermafbeelding 2016-04-05 om 21.29.22

Verder zegt de CET1-ratio niets over het gevaar voor een bank om overkop te gaan. Uit een analyse van 94 banken concludeert de OESO dat er absoluut geen verband bestaat tussen de CET1-ratio van een bank en hoe ver de bank verwijderd is van het bankroet (Distance-to-Default). Een gewone leverage ratio heeft volgens de studie een veel sterkere voorspellende waarde voor het faillisementsrisico.

In verschillende van haar rapporten concludeert de OESO dat Basel 3 te ingewikkeld is. Het schept enkel een te groot, slecht gediversifieerd en onderling verweven bankensysteem met een te lage kapitaalsbasis. ‘Dat vat het algehele probleem goed samen’, gaat ook Atkinson akkoord.

Ook Wim Schoutens, hoogleraar financiële wiskunde aan de KULeuven, heeft zijn bedenkingen. Hij heeft berekend dat de recente verhoging van de CET1-scores gepaard is gegaan met de verhoging van de volatiliteit van die ratio’s. ‘Banken rapporteren dat hun CET1-ratio’s omhoog zijn gegaan en dat ze dus veiliger zijn,’ vertelt hij, ‘Maar dat is niet noodzakelijk zo, want als je de marktinformatie analyseert komt daaruit voort dat die ratio’s veel volatieler zijn geworden. De markten erkennen wel de verhoging van de CET1 ratio’s, maar ze erkennen tegelijkertijd dat er meer risico is. Dus zomaar zeggen dat de banken veilig zijn omdat hun CET1 ratio’s verhoogd zijn is niet correct.’

Ondanks de goed nieuwsshow van de laatste jaren zijn economen, beursanalisten en de financiële markten zelf zeer wantrouwig over de toestand van de banken wereldwijd. Dat verklaart meteen de klappen die de bankenaandelen de laatste maanden te verduren kregen. De Standard & Poors Financial index is de laatste 3 maanden met een goede 8% gedaald. De Europese bankenindex kreeg het laatste half jaar een inzinking van 23%.

Leave a Reply